Ik zit bij onze oudste achterop. Hij laveert de gehuurde scooter door de zwerm van voertuigen. We rijden door de naar uitlaatgassen stinkende straten van Ubud. Tien maanden per jaar is dit een prachtige plek op Bali waar kunstenaars en levensgenieters elkaar ontmoeten. Maar in juli en augustus wemelt het van de toeristen. Dat gegeven trekt massa’s Balinezen aan die graag mee profiteren van de westerse welvaart en de reiziger wil vermaken. Ik zeg niets en knijp mijn zoon niet fijn want ik weet dat ik hem daarmee enorm irriteer. Een bange moeder is mega irritant dus ik doe mijn ogen dicht en bijt op mijn lip.
Het duurt niet lang voor we de stad uit zijn. Net zag ik nog straten vol scooters en – in onze ogen al lang afgeschreven – auto’s. Het blik verruilt zich voor vergezichten. Ik zie bergen vol bebouwde sawa’s in veel meer tinten groen dan die lousy fifty die E.L. James in het grijs kent. Ik zie bananenbomen die handig worden beklommen door locals die traptreden hakken in de smalle stam. De spelende kinderen op straat, de oude mannen – gehurkt – kijken tevreden rond. De vrolijke vrouwen lopen met grote manden op hun hoofd en klauteren al kletsend de heuvel op. De warme wind ruikt naar bloemen en plakt op mijn huid. Ik geniet. Ik geniet zo ontzettend maar tegelijkertijd knijpt mijn keel samen en lopen de tranen over mijn gezicht. Morgen gaan we terug. Dan komt er een eind aan deze machtige reis die ik uitvoerig heb voorbereid. De reis die ons voerde langs luxe resorts aan witte stranden en hutjes op palen waar vissers met hun gezin wonen op 4 vierkante meter. We sliepen op eilandjes zonder stromend water en elektriciteit en kwamen daarna weer in grote hotels met een perfect zwembad en gym.
Terug in Nederland kan ik maar moeilijk mijn draai vinden. Ik bekijk met afschuw het koelvak in de supermarkt. Als ik andijvie wil eten, moet ik kiezen uit grof, fijn of niet gesneden, in zakken van 150, 350 en 600 gram. Die waanzin staat in zo’n schril contrast met de pasar waar ik eerder die week was. In mijn kast liggen twaalf lange broeken waaronder zes zwart. Ik heb door deze reis geleerd dat geluk niet zit in het hebben van andijviekeuze of zes zwarte broeken. Ik heb mensen gezien die zo gelukkig waren met zo weinig. Met onregelmaat overspoelt me een gevoel van weemoed, van heimwee, van verlangen naar die ommuurde weken met mijn gezin.
Ik lees een woord wat me raakt en me beter maakt. Saudade. Een Portugees woord wat zich niet laat vertalen. Net als onze Nederlandse ‘gezellig’ niet in woorden te vangen is. Saudade is de aanwezigheid van afwezigheid. Het verlangen naar iets of iemand waar we goede herinneringen aan hebben maar ook weten dat het waarschijnlijk tot het verleden zal blijven horen. Verlangen. Gemis. Nostalgie.
Ik heb mezelf vaak voor gek verklaard en geschaamd om die malle tranen die ik niet echt kon duiden. Ik weet ik nu wat ik heb. Saudade.